Functionele Gedrags ASSESSMENT: Gedrag analyseren, begrijpen en bijsturen.

Het gedrag van een kind/cliënt kan grote invloed hebben op het aanleren van vaardigheden. Niet willen meewerken, weglopen van tafel, spijbelen, vechten met andere kinderen, vloeken, wegdromen. We maken het allemaal wel een keer mee. Het storende gedrag ontstaat niet zomaar maar heeft een reden. In deze blog gaan we eens nader in op de Functionele Gedrags Assessment (FGA).

We nemen als voorbeeld het jongetje dat iedere donderdag, en alleen op donderdag in de pauze, begon te vechten met andere kinderen op het schoolplein. Waarom ging hij vechten? Waren er donderdag kinderen die hij niet mocht? Kreeg hij op donderdag eten mee van thuis dat hem agressief maakte? Kwam het door het lesprogramma van donderdag? Aan het eind van deze blog het antwoord.

Om te begrijpen wat een FGA is, moeten we eerst het woord gedrag nader omschrijven: gedrag is alles wat een organisme doet als reactie op een stimulus. Eenvoudiger gezegd: gedrag bestaat uit waarneembare en/of meetbare activiteiten.

Alle gedrag vindt plaats met een reden en het doel van een FGA is om die reden te ontdekken. Zodra de reden is ontdekt, kan een interventie of actieplan worden gemaakt. Een FGA is nodig wanneer reductie van het vertoonde gedrag gewenst is. Als je zonder FGA gaat ingrijpen dan ga je een interventie doen op basis van een gok. Onderzoek heeft ook aangetoond dat een interventie op basis van aannames meestal eindigt in straf(fen). Men stopt het gedrag maar leert geen vervangend gedrag aan.

Een FGA bestaat uit drie basisstappen:

  • Informatie verzamelen
  • Observeren en een hypothese stellen
  • Actieplan maken en overleg voeren

Stap 1: Er zijn heel veel verschillende manieren om informatie te verzamelen over het kind, het probleemgedrag, de omgeving en de mogelijke functie(s) van het gedrag. Veel informatie is te krijgen via bijvoorbeeld de ouders en school. Het doel is om informatie te verzamelen over het probleemgedrag, wanneer het zich voordoet, hoe lang het duurt, hoe het eruit ziet, is het onlangs erger geworden, wat lijkt het te laten gebeuren en hoe reageert de omgeving op het probleemgedrag. 

 Stap 2: De volgende stap is om direct te observeren en de bevindingen op te schrijven. Dit kan met een abc. Je gaat kijken naar het gedrag (b), de aanleiding (a) en de consequenties van dat gedrag (c). Elk gedrag heeft namelijk vier hoofdfuncties: het krijgen van aandacht of een voorwerp, sensorisch, het ontsnappen aan een situatie of vraag en het communiceren van een wens of behoefte. Allereerst dient natuurlijk een eventuele medische functie (zoals pijn of ongemak) te worden uitgesloten. Het is niet ongebruikelijk dat een gedraging meerdere functies heeft, hoewel er meestal een hoofdfunctie (primair) en een mindere functie (secundair) is. Op basis van meerdere abc’s kun je nu een hypothese stellen en de functie(s) bepalen. Dit zijn de piketpaaltjes die je uitzet voor de interventie.

Stap 3: Nu is het tijd voor het interventieplan. Het is een plan om het probleemgedrag te  verminderen of te elimineren. Het plan om het probleemgedrag te verminderen is 50% van de interventie, en de andere 50% is het plan om vervangingsgedrag aan te leren. Met andere woorden, wanneer het kind stopt met het probleemgedrag, wat wil je dat het dan gaat doen? 

De interventie die je maakt, is direct gekoppeld aan de functie van het probleemgedrag. Als een kind al het leermateriaal steeds in zijn mond stopt om sensorische input te krijgen, dan is het negeren van het dit gedrag een slechte keuze voor een vervangingsgedrag. Een betere keuze zou zijn om het kind iets in de mond of in de handen te geven om aan deze sensorische input te voldoen. 

Oh ja. Dat jongetje dat altijd vocht op donderdag (de b)… Uit de abc kwam naar voren dat de consequentie (de c) was dat hij dan door de conciërge werd opgepakt en de school in werd gedragen. En als aanleiding (de a) …. De jongen vond het heerlijk om stevig opgepakt te worden. Het gaf hem diepe druk op zijn lijf. En deze conciërge… Die werkte alleen op donderdag! Als vervangend gedrag werd de jongen aangeleerd om de conciërge te vragen om hem op donderdag even stevig beet te pakken voordat hij het schoolplein opging. De vechtpartijen waren voorbij.

Een reactie plaatsen