Taal

De taalontwikkeling bestaat uit het begrijpen (passief taalgebruik) en spreken van taal (actief taalgebruik). Kinderen begrijpen al snel meer woorden dan ze spreken. Het zijn echte talenwonders. De eerste jaren ontwikkelt hun taal zich razendsnel.

Een baby praat nog niet, met een vierjarige heb je al hele gesprekjes. Rond één jaar zeggen de meeste kinderen hun eerste woordje, vaak mama of papa. Vanaf dat moment leert je kind elke dag nieuwe woorden. Eerst woorden voor dingen die je kunt zien. De zogenaamde éénwoordzinnen kunnen meerdere betekenissen hebben. Pop kan betekenen… waar is de pop?, Ik zie een pop…. Hier is een pop…. Ik wil een pop…. In de leerlijnen is hier uitgebreid aandacht voor (benoemen of vragen). Ook de uitspraak is vaak nog niet volledig.

Tussen 18 en 24 maanden gaat je peuter losse woorden combineren. Dan maakt je kind zinnetjes van twee woorden. Vanaf twee jaar gaat je kind ook begrippen gebruiken, woorden voor niet zichtbare dingen. Ook de voorzetsels gaan langzaamaan gebruikt worden en kinderen gaan emoties benoemen. Als het kind driewoordzinnen gaat gebruiken dan komt de taalontwikkeling vaak in een stroomversnelling.

Jonge kinderen leren taal vooral thuis. Je hebt als ouder of leraar daarop veel invloed. Het is heel belangrijk dat het kind veel taal hoort. Daarom is het goed voor je kind als je samen praat, samen speelt en liedjes zingt, en dat je regelmatig voorleest. De taalmaterialen in deze sectie kun je daarbij inzetten.

Resultaat 1–20 van de 132 resultaten wordt getoond